Schrijf- en denkwerk
Mijn decennialange betrokkenheid bij musea voelt als een logische opeenvolging van gebeurtenissen. Toen ik na mijn studie in 1967 – zonder te hoeven solliciteren – assistent-conservator werd bij de afdeling schilderijen van het Rijksmuseum was mijn belangrijkste taak het handwerk voor de catalogus All the Paintings waarin alle schilderijen van het Rijksmuseum (enkele duizenden) in zwart-wit zouden worden afgebeeld met summiere (maar accurate!) gegevens. Bijna onmiddellijk werd ik ook betrokken bij de tentoonstellingen van de afdeling: Fresco’s uit Florence en vooral Rembrandt in 1969. In dat jaar kwam ik in het bestuur van Openbaar Kunstbezit. Op geen plek werd zoveel gesproken over kunstoverdracht. Ik bleef er tot 1988. Ondertussen was het educatieve werk in musea sterk in opkomst en na het voltooien van de catalogus voelde mijn overgang naar de educatieve dienst - waar nu historici en kunsthistorici werden aangesteld - als een natuurlijke. Daar kon ik mijn aloude liefde voor schrijven en overdracht naar hartenlust uitleven. Wat heb ik al niet geschreven, stukken in de Rijksmuseumkunstkrant, projectpakketten voor scholieren en natuurlijk eindeloos veel teksten bij tentoonstellingen, een reeks ABC’s, over Goden, de Bijbel en Prenten en een boekje over Rembrandt, in drie talen vertaald. Schrijven voor de Kunstkrant bracht een nieuw interessegebied: de geschiedenis van het museum en het Rijksmuseumgebouw, in 1985 resulterend in medewerking aan een boek over de geschiedenis van het Rijksmuseum sinds 1885 (vanwege het 100-jarigbestaan van het gebouw) en een boek en een tentoonstelling over het gebouw. In 1976 kwam ik in het in het bestuur van de Nederlandse Museumvereniging, geheel passend bij mijn interesse in het fenomeen musea. De vereniging maakte een proces van professionalisering en grotere zichtbaarheid door, daarbij geholpen door het eigen tijdschrift Museumvisie, dus: weer schrijven. Ik bedacht de Museumjaarkaart als vervanging van de gratis passen die in omloop waren en als inkomstenbron voor musea. Hij werd gelanceerd in 1981.
In 1986 ondernam het Rijksmuseum het grote project Kunst voor de beeldenstorm, een ambitieuze tentoonstelling, samenwerking van drie afdelingen en met sateliettentoonstellingen in het land, met een theoretisch onderbouwde publieksbegeleiding en een professionele publiciteitscampagne. Ik werd projectleider, een functie die het museum voorheen nog niet kende. Een drukke en leerzame periode. Ik kwam in dat jaar in het bestuur van ICOM-Nederland dat zich voorbereidde op het grote internationale ICOM-congres in Den Haag in 1989. Dat congres met als thema Museums – Generators of Culture, een inspirerende ervaring, wilde een bijdrage zijn aan het groeiende zelfbewustzijn van musea. In hetzelfde jaar werd ik benoemd tot directeur presentatie bij het Rijksmuseum. Die functie was het resultaat van een reorganisatie waarbij het museum geleid zou worden door een algemeen directeur en twee directeuren, een voor de Collecties en een voor Presentatie (in het kort alles wat een museum voor het publiek doet). Eindelijk een erkenning van hoe belangrijk Presentatie voor een museum is. De nieuw aangestelde algemeen directeur Henk van Os paste uitstekend in het plaatje: hij was hoogleraar geweest maar hield zich al van jongs af aan bezig met overdracht. Zijn colleges waren legendarisch. In hem kwamen beide taken van het museum - erkend door de reorganisatie - samen. Voor mij was de functie de mogelijkheid om alles wat ik al die jaren had bedacht ook uit te voeren, ook op het gebied van betere praktische toegankelijkheid van het museum en betere zichtbaarheid. Ik werd daarbij gesteund door een toegewijde en enthousiaste groep medewerkers. We maakten originele tentoonstellingen met spraakmakende ontwerpers en gaven langzaamaan de zalen van het museum een facelift. Acties als de gratis toegankelijke zondagen voor kinderen onder de titel Joost de Suppoost waren een succes. Oprichting van ARIA (Amsterdam Rijksmuseum Interactief) in de zaal achter de Nachtwacht, maakte voor het publiek informatie over de collectie toegankelijk. Allemaal acties om van het museum een publieksvoorziening te maken in de meest brede zin van het woord. Hoogtepunt was de verbouwing van de Zuidvleugel, ooit als Druckeruitbouw en Fragmentengebouw een verwaarloosd deel van het museum, dat regelmatig vanwege personeelsgebrek gesloten was. Architect Wim Quist maakte er een stralend complex van voor de collecties Aziatische Kunst, Kostuum en Textiel en 18de-en 19de-eeuwse schilderkunst. De inrichting van Manfred Kausen van de Aziatische Kunst was een lust voor het oog. Dat het museum toe was aan een meer ingrijpende renovatie werd juist door die verbeteringen duidelijk. Herinrichting van de 19de-eeuwse zaal van de afdeling Nederlandse Geschiedenis was een proef om te zien hoe het museum eruit zou zien als de zalen ontdaan zouden worden van de inbouwen die er in de loop der jaren waren verschenen en de oorspronkelijke structuur van het gebouw weer zichtbaar zou zijn. Zo ontstond het Masterplan Het Nieuwe Rijksmuseum, resultaat van inspirerend overleg van de directie met architect Hans Ruijssenaars, de Rijksbouwmeester en de Rijksgebouwendienst. Op basis van een reeks museumbezoeken in het buitenland stelde ik voor af te stappen van de vier musea onder één dak maar een geïntegreerde opstelling na te streven waarin schilderijen, beeldhouwkunst en kunstnijverheid en Nederlandse Geschiedenis gecombineerd zouden worden.
Het liep uiteindelijk anders. Henk van Os vertrok in 1996 en ik besloot vanwege de veranderde omstandigheden in 1998 ook te vertrekken en Het Nieuwe Rijksmuseum achter me te laten.
Mijn nieuwe functie als directeur van de Nederlandse Museumvereniging was terugkeer naar een oud interessegebied, inmiddels veel omvangrijker dan toen in de periode ’70-’80. Met een bureau met 20 medewerkers, heel veel projecten, ook in het buitenland. Belangenbehartiging, Beleidsontwikkeling en Deskundigheidsbevordering waren onze doelstellingen. Het jubileumcongres van 2001 The Future of Museums, The Museum of the Future, voelde als een hoogtepunt. Mooi moment was ook de fusie met de Stichting Museumkaart, waarmee de kaart, ooit in de jaren ’90 afgescheiden van de NMV, weer ‘thuiskwam’.
In 2003 besloot ik als zelfstandige door te gaan, Andante Producties. Ik schreef een aantal beleidsnota’s, werkte mee aan de publicatie Passie en professie over de geschiedenis van het educatieve werk in Nederland, aan een publicatie over de Leerstijlen van Kolb die resulteerde in een aantal internationale workshops maar leefde me vooral uit in het maken van tentoonstellingen voor kleinere musea: Ons’ Lieve Heer op Solder, Huis Bergh, Bijbels Museum, Museum de Zwarte Tulp. In 2023 – ik werd 80 – was het tentoonstellingenmaken mooi geweest. Maar ik bleef schrijven.